donderdag 12 december 2019

Plasticity, Eisenstein, Damisch

In een mooi stuk over sculptuur in de Witte Raaf, waarin hij het werk van Elmar Trenkwalder en Hans Hovy bespreekt citeert Ernst van Alphen een opmerking die Freud in Das Unbehagen in der Cultuur maakt:

"Schoonheid en charme zijn van oorsprong kenmerken van het seksuele object. Het is opmerkelijk dat de genitaliën, waarvan de aanblik altijd opwindend is, toch zelf bijna nooit als mooi beoordeeld kunnen ouden: de kwaliteit schoonheid lijkt daarentegen van toepassing te zijn op bepaalde secondaire seksuele kenmerken."


Van Alphen citeert daarna uit Hubert Damisch, Le Jugement de Paris  (1992) en schrijft: "In zijn meesterlijke studie Le Jugement de Paris stelt ook dat schoonheid niet van toepassing kan zijn op genitaliën, omdat schoonheid in termen van vorm begrepen wordt, terwijl genitaliën eerder tot het terrein van het ongevormde (l'informe) gerekend worden."


Het 'ongevormde' (protoplasmatische) speelt een sleutelrol in Eisenstein's beschouwingen over Disney. De term, die hij ontleende aan de biologie, gebruikt hij de eerste keer als hij zijn eigen lijntekeningen bespreekt.  De lichamen in deze tekeningen zijn niet alleen opvallend 'plasmatisch' en ongevormd, maar de penis speelt een nogal prominente rol. 




Op het eerste gezicht lijkt dit raar. Het protoplasmatische lichaam lijkt juist een pre-oedipaal, infantiel, nog niet 'in kaart gebracht' lichaam te zijn, terwijl de fascinatie met de penis (en sowieso de focus op genitaliën) juist als een oedipaal moment wordt gezien. 


Bij Freud leidt de angst voor castratie - het inzicht dat de penis een 'vreemd' element is dat kan worden 'afgeknipt' - niet alleen tot een interesse in seksuele objecten (die buiten het eigen lichaam liggen), maar ook tot een in kaart brengen van het eigen seksuele lichaam, met duidelijk afgebakende erogene zones. 


Bij Eisenstein is de interesse in de penis nog duidelijk auto-erotisch. En opvallend vaak oraal. 



De penis is bij Eisenstein niet (isoleerbaar) onderdeel van een lichaam. Het lijkt of de penis een model voor het hele lichaam is. De vormloze, plastieke penis is een model voor het polymorfe lichaam. 

Neem onderstaande tekening:


In de bovenste tekening lijkt de verhouding tussen penis en de rest van het lichaam omgedraaid. Het lichaam is een aanhangsel van de penis, en niet andersom. Deze penis is ook niet zozeer hard, sculpturaal, maar lijkt eerder, golvend, 'vloeiend,' of 'wordend' (becoming), en zelfs een beetje zacht. Hij wordt alleen kunstmatig stabiel gehouden op het moment dat een statief hem 'bij de nek' grijpt (en hem a.h.w. 'sculpturaal' maakt), zodat hij kan worden gefotografeerd

Eisenstein associeert daardoor twee 'lichamen' met twee verschillende media (of visuele regimes): het 'protoplasmatische' lichaam van de penis is het lichaam van 'line drawings' terwijl het sculpturale lichaam (dat omhoog wordt gehouden) het lichaam van de fotografie is. En dit zijn (niet ontoevallig) ook de tweede media waar hij in deze periode in zijn essays de verschillen van in kaart probeert te brengen: tekenen (en animatie) vs fotografie (en cinema).

Daarnaast roept zijn tekening een metafoor op die later (natuurlijk) een sleutelrol bij Lacan gaat spelen. Volgens Lacan worden we door het symbolische 'gefotografeerd': we worden door de camera 'vastgelegd.' De camera grijpt ons a.h.w. bij de nek en stabiliseert ons lichaam. 

Voor Lacan is dit 'fotograferen' een moment van castratie. 


De 'protoplasmatische penis' van Eisenstein is daarmee het niet-gecastreerde, pre-oedipale lichaam. Het is daarmee niet alleen het lichaam van 'the comic' maar ook van 'the comical.' 

Zoals Zizek schreef in zijn expositie van Lacan (o.a. in Did Somebody Say Totalitarianism, 82 ff), comedy is het terrein van een terugkeer van het lichaam. Hij citeert Lacan die schrijft: "... what satisfies us in comedy, what makes us laugh,.... is not so much the triumph of life as its flight, the fact that life slides away, steals away, flees, escapes all those barriers  that oppose it..."

dinsdag 10 december 2019

Plasticitiy Revisited

Dit is het probleem:

Enerzijds: Eisenstein ontleent 'plasticity' aan de biologie - en meer precies aan filmpjes over nog ongevormde organismes. Het staat voor 'pre-oedipaal' ongevormd en ook: onge-genderd. En inderdaad: het lichaam van het strippoppetje is volledig pre-oedipaal.

Volledig auto-erotisch?


Anderzijds: animatie is het terrein van het antropomorfe. Het zijn lichamen waar wij 'leven' op projecteren- en 'antromorf' betekent ook meteen 'ge-genderd.'  Vooral Disney animatie is hysterisch gegenderd. Niet alleen dieren worden om een antropomorfe wijze van een gender voorzien (zodat de zgn 'naturalistische' dieren in Bambi 'vrouwelijke' wimpers en uitdrukkingen krijgen, maar ook objecten die regelmatig tot leven komen, ook van een 'gender' zijn voorzien. 

Sobchack (in een essay "animation and automation" in Screen (2009) stelt dat animatie niet alleen 'plasmatic' maar ook 'phantasmatic' is: we projecteren menselijke morfologie op figuren. 

Animatie is daarom het terrein waarop de spanning tussen 'gegenderde' en 'ongegenderde' lichamen getoond wordt. 



Vandaar dat Disney - de grootmeester van de animatie die ook gedreven werd door een verlangen om animatie te temmen ('illusion of life' 'de wet van de constante volume') ook op thematisch niveau op een bijna hysterische manier 'gegenderde' verhalen terug laat keren (prinsessen, prinsen). 

Om het in Mulveyiaanse termen te zeggen: het visuele plezier dat het apparaat oproept moet worden 'bedwongen' op het niveau van het verhaal. 






Chuck Jones

En 'Every Frame...' heeft dan weer een leuk essay over de ontwikkeling van Chuck Jones...


dinsdag 19 november 2019

The World of UPA / Richard Williams

Op het Youtube-kanaal van de Royal Ocean Film Society staat een mooie reeks video essays over animatie.

Zoals deze over UPA: 



Of deze over Richard Williams


zondag 3 november 2019

Super Quick

Net gelezen: Franquin's Super Quick uit 1955 - het hoogtepunt van de moderne periode van Spirou, waarin Franquin zijn voorliefde voor design & moderniteit, etc uitleeft.


In de leuke begeleidende tekst van Bocquet en Honorez wordt de slapstick scene op p. 2, waarin Robbedoes en Kwabbernoot vast komen te zitten in een wasstraat, vergeleken met de Amerikaanse komedies van enkele jaren eerder, van o.a. Mack Sennett - maar ook Chaplin, Lloyd of de Donald-Goofy-Mickey's hadden genoemd kunnen worden.



Maar ook Tisseron heeft het in zijn boekje over Gaston vooral over Guust's gevecht met apparaten (althans als ik de samenvatting in het Franquin-issue van Lire mag geloven. 


Over Chaplin, Mickey, Sennett en machines, automatons, etc is genoeg geschreven - en ook (dacht ik) over Tati. Maar hoe is Franquin's relatie tot machines, automatisme en geanimeerdheid? Volgens mij is hij veel ambivalenter dan Chaplin. Het is niet zo maar 'moderniteitskritiek'...

vrijdag 1 november 2019

Pogo

Nu kan ik me ook weer herinneren waarom ik met alle macht Pogo wou lezen. Het is een strip uit de vulgair-modernistische periode (de eerste stroken komen uit 1949), en het is dus een hoogtepunt binnen de funny animal-traditie. Maar tegelijkertijd lijken de topoi erg zelfbewust.

En wat me met name boeit is de setting, Okefenokee park. Het is overduidelijk een Louisiana-swamp: het mythische terrein van broer konijn / brer rabbit. En de dialoog is, net als bijvoorbeeld in Krazy Kat, vernacular, een soort pseudo-Zuidelijk. (Walt Kelly was een fan van 'nonsense verse' en voegde vaak ook wat nonsense verzen aan de bundelingen van Pogo toe. In 1956 was er zelfs een elpee met liedjes geschreven en gezongen door Kelly, Songs of Pogo).

Kortom, Pogo ligt in het Minstrel-Continuum.



dinsdag 8 oktober 2019

Adult Manga

Misschien een tikje gedateerd, maar desalniettemin nog steeds interessant, Sharon Kinsella's Adult Manga (2000).
Vooral interessant vond ik het prettig ongenuanceerde eerste hoofdstuk over de geschiedenis van manga, waarin ze belicht hoe in de jaren zestig er een kort moment was waarin er een connectie bestond tussen 'manga and political radicalism.' (10)

Een zelfde link tussen politiek en strip (maar dan in de jaren 70 en 80 (met 1977 als centraal jaar)) wordt gelegd in Simone Castaldi's Drawn and Dangerous, dat vooral gaat over de scene rond Canibale en Frigidaire (Tamburini, Pazienza, etc). 

 (Ook in dit stuk wordt een link gelegd tussen deze striptijdschriften en autonomia (het gaat daarbij vooral om het concept van de 'multitude.)

Bladerende realiseerde ik me twee dingen, die ik nu even voor het gemak samenbal tot syllogisme:

1) Ik heb de stripgeschiedenis altijd door een Franco-Amerikaanse bril bekeken, waardoor ik er klakkeloos vanuit ging dat de politisering van het medium een product van 1968 was, en dus van de hippie-underground (USA) en de erfenis van de situationisten (Frankrijk).

2) Maar in andere striptradities (Japans, Italiaans) kruiste de strip het politiek radicalisme op een ander moment.

Ergo: 3) De relatie strip en politiek zou herdacht - en vergeleken - moeten worden.

(Dusdus: een bundel is nodig)