vrijdag 8 juni 2018

Strips en Mentale Beelden (ctd)

Tom Gunning stelt dat we strip en animatie moeten zien als voortgekomen uit het 'continuum' van de interesse in 'animated pictures' die opkomt rond 1820. (Dit is de periode die Crary onderzoekt in Techniques of the Observer). Crary stelt dat de craze voor 'optical toys' mogelijk was geworden door een epistemische breuk die hij traceert tot Goethe's kleurenleer. Waarneming wordt vanaf nu gezien als iets dat 'gekleurd' is. Optische illusies laten zien dat het oog 'bedonderd' kan worden - en vanuit dit inzicht ontstonden animatie en cinema.

Ik ben het met Gunning eens dat de strips 'meesurften' op deze golf. Zoals Bukatman toont: met name de McCay strips (Nemo, Rarebit Fiend) lijken gebaseerd op  het chronofotografische principe (de analytische 'breakdown' van tijd en beweging in plaatjes). (En hierin zijn ze fundamenteel verschillend van oudere vormen van 'sequentieel' vertellen (zoals glas-in-lood verhalen, of vertellingen over heiligenlevens) wiens logica illustratief is. Elk plaatje illustreert daarbij een ander moment in de tijd. Ze roepen samen geen 'flow' op. Terwijl McCay's strips dat overduidelijk wel doen.

Zoals hier:


Maar thematisch gezien is McCay steeds in dromen ge├»nteresseerd, in mentale beelden. Zijn interesse in de animerende werking van lijntekeningen gaat terug naar een oudere traditie, namelijk het werk van Hogarth, die stelt dat lijntekeningen a.h.w. een partituur voor het oog vormen omdat ze je uitnodigen om je blik over de pagina te laten glijden terwijl je een lijn volgt. Hogarth stelt dat dit het beeld animeert. Een 'derde' beeld ontstaat, een geanimeerd beeld dat verschilt van het 'objectief' stilstaande beeld dat aanwezig is op papier. 

Het is misschien geen toeval dat Goethe op het moment dat hij zijn kleurenleer ontwikkelde ook gefascineerd was door strips, met name die van Toepffer. (Kunzle heeft hier een stuk over geschreven).  Kunzle stelt dat Goethe inzag dat Toepffer de kunst van de 'doodle' introduceerde. 

Toepffer ontwikkelde een grafische stijl die de lijn benadrukte. Een lijn is als een handschrift voor Toepffer.



Toepffer was ook de uitvinder van het zoefstreepje. 

Dus: een 'media-archeologie' van de strip overlapt gedeeltelijk met die van de cinema. Maar de wortels liggen dieper. Het gaat terug tot het Goethe-Toepffer-Hogarth moment. Strips zijn niet alleen geïnteresseerd in 'optische illusies' maar ook in 'mentale beelden.'

Of: de strip combineert het inzicht van Hogarth dat beelden geanimeerd worden als het oog langs een pagina glijdt met het Muybridgiaanse idee dat het 'springen' van plaatje naar plaatje een flikkerachtig moment van beweging biedt.

In alletwee de gevallen wordt gebroken met de traditie van de schilderkunst. Lineair perspectief veronderstelt een 'stilstaand' oog. Een staar. Of Tuur. Strips zijn voor 'lezende' ogen, die verspringen van beeldelement naar beeldelement, of verglijden van streepje naar streepje. 

Crary schreef over de panorama: “The circular or semi-circular panorama painting clearly broke with the localized point of view of perspective painting or the camera obscura, allowing the spectator an ambulatory ubiquity” (22).


(Goethe had trouwens moeite met Hogarth. Ik weet niet waarom.)




Geen opmerkingen:

Een reactie posten