dinsdag 17 september 2019

Nine Old Men

De tweede fase van Disney, waarin de illusion of life esthetiek dominant zou worden, is de periode van de 'Nine Old Men' - de animatoren Les Clark, Marc Davis, Ollie Johnston, Milt Kahl, Ward Kimball, Eric Larson, John Lounsbery, Wolfgang Reitherman & Frank Thomas - die werkten, grofweg, van Snow White t/m de Rescuers. 






Hier staan hun 12 principes, en ook een korte lijst wat ze animeerden. Disney moedigde 'character animation' aan door verschillende personages te laten tekenen door verschillende animatoren. Elk van de animatoren kon daardoor iets van zichzelf kwijt in hun poppetje.

Het lijkt er op of elk een eigen type, of specialisatie had - maar allemaal werden ze gedreven door wat Johnston en Thomas in hun handboek 'sincerity' noemen: een proces van animatie waarbij je je volledig probeert in te leven in de personages die je tekent. Vaak hanteerden ze daarbij spiegels waarin gezichtsuitdrukkingen worden uitgeprobeerd, of handelingen worden nagedaan. In de NYT schreef Stephen Holden dat 'sincerity' is: "the ability to enter so completely into the world you are imagining that you inhabit the bodies and sinds of the creation that spring from your pencil" - een proces waarin je je verliest in het figuur dat uit je eigen potlood vloeit.

(Door Disney werden ze wel 'actors with a pencil' genoemd)



(M.a.w. hier is weer het  Out of the Inkwell-principe: een poppetje ontstaat uit lijnen, maar komt tot leven (wordt geanimeerd) en de tekenaar verliest zichzelf erin.



In de documentaire 'Frank en Ollie' - geschoten jaren na de pensionering van Johnston en Thomas - viel het me op dat Johnston nog exact de danspasjes kan nadoen van een aapje uit Jungle Book dat hij hij decennia ervoor had geanimeerd. De animatie-sequentie zat a.h.w. nog in zijn lichaam. Hij deed, als zeventigjarige, de dans van het Aapje niet zozeer na, maar zijn bejaarde lichaam werd er door geanimeerd.

Dit is trouwens een aardig video-essay dat Frank & Ollie's 12 principes van animatie bespreekt.





vrijdag 13 september 2019

Astro Boy (Archeologie van het strippoppetje 2)

Tezuka's Astroboy is natuurlijk een 'herschrijving' van Disney's Pinokkio (een film over animatie, ouderschap, etc).



In beide mythes is het probleem dat de marionet / robot niet opgroeit. Pinokkio wil psychologisch gezien maar niet volwassen worden (hij heeft geen geweten), en Astro Boy wordt door zijn maker / vader verstoten omdat hij niet, als een echt kind, kan groeien.


In beide gevallen lijkt de mythe een omdraaiing van het 'peter pan' verhaal: de rouw en het verdriet dat de ouderfiguren ervaren betreft het feit dat elk kind als kind verloren gaat. Zoals o.a. Jacqueline Rose in haar briljante boek over Peter Pan liet zien, de fantasie van de jongen-die-niet opgroeit is niet zozeer een kinderlijke fantasie, maar een fantasie van een ouder.

Aangezien zowel Sharpsteen's Pinocchio als Tezuma's Astro Boy ook metafilms zijn (ze kwamen uit in de golf van modernism light uit de jaren vijftig (Raar Window, Kuifje en de Juwelen van Bianca Castafiore, Tati's Playtime), reflecties op animatie - zou je kunnen stellen dat de films gaan over het ontstaan van het strippoppetje, of over het complex aan ambivalente gevoelens over infantiliteit waar het strippoppetje het symptoom van is.


Godzilla

Wie ook dit jaar de pensioengerechtigde leeftijd haalt? Godzilla!


De Amerikaanse versie van de film is voorzien van een frame narratieve, waarin Amerikaanse reporters het nieuws uit Japan overbrengen naar een Amerikaans publiek. In de trailer voor deze versie valt daardoor nog meer op hoe de vernietiging van Tokyo de beelden van Nagasaki en Hiroshima oproept.

Maar uit de beelden die volgen blijkt ook het infantiele plezier dat de suitmation oproept.

dinsdag 10 september 2019

Massimo Mattioli

Ik lees net in the comics journal (in een mooi stuk van Simone Castaldi) dat Massimo Mattioli vorige maand is overleden. Mattioli was wat mij betreft de interessantste van de Cannibale / Frigidaire-school. (Pazienza en Tamburini waardeer ik nl wel, maar echt warm kan ik er niet van worden). Zijn 'squeak the mouse' legt een link tussen de Europese meta-funnies van Wolinski en Mandryka en de latere Amerikanen (Chris Ware's Quimby of Matt Groening's Itchy and Scratchy.



Vooral leuk: zijn 'grid' en bijna flipboek-achtige panelovergangen.


En ook:



In het stuk in TCJ stond dat Mattioli ook voor Pif Gadget tekende. En dat verbaast me eigenlijk niets. In dit door de Franse communistische partij gesponsorde tijdschrift (dat bestond van 1969-1993) werd niet alleen Hugo Pratt's Corto Maltese geplaatst, maar ook de eerste werken van Gotlib (Gai-Luron) en Mandryka (Concombre Masque). Het blad slaat dus een link tussen het zelfbewuste modernisme light van de Marcinelle school (Franquin, Yves Delporte) en het latere werk in Pilote en Charlie Mensuel. 


Zo op het eerste gezicht lijkt M le Magicien minder een remediatie van de tekenfilm, en meer een van de krantenstrip.


Het TCJ-stuk is (zoals altijd) heel goed, maar ik weet niet zeker of ik het eens ben met de manier waarop de Linus-generatie (Pratt, Crepax) die zoekt naar 'respectabiliteit' afgezet wordt tegen het pop-art en 'underground' gevoel van Canibale. Het 'pop' gevoel leidde immers ook de stijl en interesses van Linus, en vooral de Franse tegenhanger Charlie Mensuel lijkt door de underground geïnspireerd. 

In ander werk (Campagne and Novocaine, ook een titel van een Roxy Music verzamelaar) en in de serie MMO maakte Mattioli (net als Tamburini) gebruik van Debord-esque (en Jamie Reid-achtige) detournements - op een manier die me aan het latere Blob-tv doet denken. (Volgens mij kwam Blob ook uit dezelfde kringen)


(Mattioli maakte overigens ook de animaties bij Robert Palmer's Video 'Change his Ways.' (Wat een rotnummer, trouwens))







donderdag 5 september 2019

Suske en Wiske (2)

Als kind had ik altijd echt een hekel aan Suske en Wiske. Mijn hart lag volledig bij de Waalse traditie: de Brusselse school (natuurlijk), maar nog meer l'ecole de Marcinelle. Destijds stoorde me de conservatieve politieke toon al, de suffe dialectgrappen, het doorbreken van de vierde wand, de grapjes met de vorm. Maar het was met name de lijnvoering waar ik moeite mee had: de 'knullige lijn' van Vandersteen, de rommellijn. De boertige lijn.


Nu begrijp ik: die lullige lijn past bij het semi-geimproviseerde karakter van de strips: het wordt bijeengehouden door ingevingen en niet door een scenario. Daardoor krijg je verhalen die speels zijn. Van alles kan gebeuren. 

Suske en Wiske (1)

In het European Journal for Comic Art van een paar jaar geleden stond een leuk stuk van Jan Baetens over strip & nationale identiteit in België. Het bevat met name wat leuke passages over de Vlaamse striptraditie, de krantenstrips van Vandersteen en Sleen - de strips die altijd geprezen werden om hun volkse karakter. In tegenstelling tot de Walen - en met name de groep rond Herge - probeerden de Vlaamse striptekenaars (tot +/- 1960) geen 'universeel' werk te maken, maar  benadrukten ze juist hun 'provinciale' karakter.

De personages in de strip spraken ook vaak in dialect, of in taalgebruik dat vernacular aanvoelt, zeker vergeleken met de dialogen tussen Haddock en Kuifje die vaak wat formeel aandoen (zo verbaasde ik me er als kind altijd over dat Kuifje 'neen' zei.)

Baetens verklaart die voorkeur voor dialect vanuit de Vlaamse politieke context waarin het werk wordt gepubliceerd. Dit is overtuigend, maar het gebruik van dialect, of fonetisch gespelde taal is een terugkerend fenomeen in de strip. Popeye en Krazy Kat spraken al fonetisch. En de eerste tekstballon klonk uit een fonograaf (zie hierover een eerdere post van mij). Het 'schrift' in de strip lijkt immers, veel meer dan de gedrukte taal van het boek, op taal zoals het uit een lichaam voortkomt. Net als de lijntekeningen de improvisaties van een hand oproepen.






dinsdag 3 september 2019

Archaeologie van het Strippoppetje (1)

Waarom niet gewoon een 'geschiedenis' van het strippoppetje? Waarom 'archeologie'?



Omdat een 'Archeologie' (zoals Foucault de term gebruikt) niet gewoon een geschiedenis is, maar een onderzoek naar de 'mogelijkheidsvoorwaarden' - dat wat er a.h.w. onder het strippoppetje ligt.

Ik wil geen geschiedenis van het strippoppetje schrijven vanaf het 'begin,' maar juist de geschiedenis die voorafgaat aan de 'werkelijke geschiedenis' van het poppetje. Uit welke vertogen, praktijken, stijlen etc is het ontstaan? Hoe ontstaat het strippoppetje uit een breuk in het denken over infantiliteit? Of ras (in minstrelsy)? Of gender. Of animatie?




Maar ook, hoe 'herinnert' volwassen strip zich deze infantiliteit? Hoe werkt de 'onderliggende' geschiedenis door, of hoe wordt het 'doorwerkt'? (Vandaar dat het boek uit twee delen zou moeten bestaan).